Wat is een sociale onderneming eigenlijk? En waarom maakt die definitie echt uit

Written by

in

Je hoort het steeds vaker: “wij zijn een sociale onderneming.” Soms zegt een schoonmaakbedrijf het, soms een consultancybureau dat één keer per jaar vrijwilligerswerk doet. En dan sta jij daar, met een team waarvan een groot deel begeleiding nodig heeft, een salarisadministratie die complexer is dan bij de meeste mkb’ers, en een marge die je elke maand opnieuw bij elkaar scharrelt. Wat is een sociale onderneming nou eigenlijk? En waarom is het antwoord op die vraag niet alleen filosofisch, maar ook gewoon financieel relevant.

De definitie is geen bijzaak

Er bestaat geen wettelijke bescherming voor de term “sociale onderneming” in Nederland. Iedereen mag zichzelf zo noemen. Dat klinkt vrij, maar het is ook een probleem. Want als de term niets betekent, dan kun je er ook niets mee afdwingen bij een aanbesteding, een subsidieaanvraag of een gesprek met een gemeente die “social return” wil realiseren.

De discussie over wat een sociale onderneming is, loopt al jaren. Grofweg zijn er twee kampen. Het eerste kamp zegt: een sociale onderneming heeft een maatschappelijk doel als primaire doelstelling en winst is hooguit een middel. Het tweede kamp zegt: elke onderneming die een sociaal probleem oplost én financieel duurzaam is, mag de naam dragen. Die twee definities leiden tot heel andere praktijken en heel andere verwachtingen van opdrachtgevers.

Ik val zelf in het eerste kamp, maar ik snap het tweede. Want als je winst volledig wegdefiniëert, heb je een organisatie die altijd afhankelijk blijft van subsidies of donaties. En dat is ook geen model dat schaalbaar is of dat je medewerkers zekerheid geeft.

Wat de theorie zegt en wat ik herken in mijn eigen boekhouding

In de academische literatuur wordt vaak gesproken over het zogenaamde “hybride organisatiemodel”: een organisatie die zowel marktlogica als sociale logica combineert. Dat klinkt netjes op papier. In de praktijk betekent het dat je voortdurend twee talen spreekt. Tegen je opdrachtgevers spreek je over kwaliteit, levertijd en prijs. Tegen je subsidieverstrekker spreek je over trajecten, uitstroom en maatschappelijke waarde. Die twee gesprekken voer je soms op dezelfde dag, met dezelfde mensen.

Als je meer wilt weten over de historische en theoretische achtergrond van het begrip, is het artikel op Wikipedia over sociale ondernemingen een goede startplek. Het geeft context zonder dat je meteen in beleidsjargon verdwaalt.

Wat ik in mijn eigen administratie zie: de loonkosten per medewerker liggen structureel hoger dan bij een regulier bedrijf in dezelfde sector. Niet omdat ik meer betaal per uur, maar omdat er meer begeleiding nodig is, meer uitval is, meer administratie rondom loonkostensubsidies. Dat is geen klacht, dat is gewoon de realiteit van het model. Maar het betekent wel dat je offertes anders opgebouwd zijn dan die van een concurrent die zichzelf ook “sociaal” noemt maar geen van die kosten heeft.

Dat verschil moet je kunnen uitleggen. En daarvoor heb je een definitie nodig die iets zegt over wie je bent en wat je doet, niet alleen over hoe je jezelf voelt.

Wanneer de definitie geld kost of oplevert

Bij aanbestedingen met social return-eisen wordt vaak gevraagd om “inzet van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt.” Klinkt concreet. Maar in de uitwerking zie je grote verschillen. De ene gemeente telt een stageplaats van twee weken mee. De andere vraagt om aantoonbare loondienstverbanden van minimaal zes maanden. En dan is er nog de vraag of jij als opdrachtnemer die social return zelf invult, of dat je dat uitbesteedt aan een onderaannemer.

Als je een echte sociale onderneming bent, doe je dat zelf. Maar dan moet je ook kunnen bewijzen dat je dat doet. En dat bewijs vraagt om registratie, rapportage en soms certificering. Dat kost tijd. En tijd kost geld. Ik heb een keer uitgerekend wat de administratieve last van één social return-verplichting mij per jaar kost: het ging om zo’n 40 uur aan verslaglegging, overleg en verantwoording. Voor een opdracht van 80.000 euro is dat acceptabel. Voor een opdracht van 12.000 euro is dat disproportioneel.

Dat is waarom de definitie van “sociale onderneming” ook praktisch relevant is. Als jij kunt aantonen dat je structureel werkt met mensen die anders geen baan zouden vinden, dan zou je die administratieve last moeten kunnen verminderen. Niet omdat je minder verantwoording hoeft af te leggen, maar omdat je het bewijs al structureel levert via je bedrijfsvoering. Maar dat werkt alleen als er een erkende definitie is waar je naar kunt verwijzen.

Hier zie je ook hoe loonkostensubsidies in beeld komen. Als een deel van je personeel valt onder de Participatiewet en je ontvangt daarvoor een loonkostensubsidie van de gemeente, dan is dat een directe erkenning van je sociale functie. Maar die subsidie is niet automatisch zichtbaar voor opdrachtgevers. Die zien een offerte, geen verhaal. Dus je moet het vertalen: dit is wat het model kost, dit is wat de overheid bijdraagt, en dit is wat jij als opdrachtgever netto betaalt voor werk dat anders niet gedaan zou worden.

Hoe je de definitie voor je laat werken zonder in de valkuil te stappen

De valkuil is dat je de definitie gebruikt als marketingterm in plaats van als sturingsinstrument. Ik zie dat veel. Organisaties die zichzelf “sociaal” noemen omdat het goed klinkt in een pitch, maar die intern geen enkele meting doen op hun sociale doelstellingen. Geen uitstroomcijfers, geen begeleidingsuren, geen vergelijking met vorig jaar. Alleen een mooi verhaal.

Dat verhaal werkt misschien één keer bij een opdrachtgever die niet doorvraagt. Maar het werkt niet bij een gemeente die social return serieus neemt, bij een subsidieverstrekker die wil zien wat je met het geld hebt gedaan, of bij een klant die een tweede opdracht overweegt en vraagt: wat heeft dit nu eigenlijk opgeleverd?

Mijn advies is simpel: gebruik de definitie als checklist. Stel jezelf elk kwartaal drie vragen.

  • Hoeveel mensen in mijn team zouden zonder mijn organisatie geen betaald werk hebben?
  • Wat kost mij dat extra ten opzichte van een reguliere concurrent?
  • Wat levert dat op voor de opdrachtgever, de medewerker en de maatschappij?

Als je die drie vragen niet kunt beantwoorden met cijfers, dan heb je een probleem. Niet met je intenties, maar met je onderbouwing. En in aanbestedingen, subsidiegesprekken en evaluatiegesprekken win je het niet met intenties.

Wat ik ook doe: ik houd bij hoeveel medewerkers vanuit mijn bedrijf doorstromen naar regulier werk. Dat klinkt tegenstrijdig, want je verliest dan een medewerker. Maar het is ook het bewijs dat je model werkt. En dat bewijs is goud waard als je het de volgende keer nodig hebt.

Nog één ding over de definitie die je voor je kunt laten werken: kies er één en houd je eraan. Niet de makkelijkste, maar de eerlijkste. Die eerlijkheid is uiteindelijk je sterkste argument, zowel in de markt als tegenover jezelf.

Tot slot

De vraag wat een sociale onderneming is, lijkt abstract. Maar elke keer dat je een offerte uitbrengt, een subsidieaanvraag indient of een gesprek voert met een gemeente over social return, speelt die vraag mee. Als je geen antwoord hebt, bepalen anderen het voor je. En dan loop je het risico dat je op één hoop gegooid wordt met bedrijven die het label gebruiken zonder de bijbehorende kosten, risico’s en verantwoordelijkheden te dragen.

Dus: weet wat je bent. Leg het vast. Meet het. En gebruik het als argument, niet als decoratie.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *